Lucas & Jojanneke - Steenbergerhoeve

 

Trouwgelofte van Lucas Christiaan van den Toorn aan Jojanneke Susan Vanderveen, uitgesproken op 17 september 2016

Lieve Jojo,

Het viel mij erg zwaar om mijn gelofte te schrijven. Ik weet niet precies waarom. Misschien ben ik te neurotisch wat schrijven betreft. Misschien ook omdat ik onder druk stond: de bruiloft naderde snel, terwijl ik nog geen woord op papier had. Bovendien was het vooruitzicht de gelofte te moeten uitspreken ten overstaan van een grote groep mensen, die niet eens het comfort van anonimiteit biedt, tamelijk vreeswekkend.

Ik besef dat deze preambule weinig relevant is, maar ik had hem nodig om mezelf aan de praat te krijgen. Wat ik wil zeggen is iets anders, maar dat is nu net waar mijn pen hardnekkig hapert. Natuurlijk weet ik waarom ik met je wil trouwen, en natuurlijk weet ik ook best wat ik je wil beloven; maar waar het me aan ontbreekt, is een geschikte taal.

Het idioom van liefde en trouw is bezoedeld met de weerslag van twee eeuwen slechte romantiek, over voorbestemde ogenblikken, gestolen harten en zelfopoffering. Dit alles heeft zo z’n charme, wellicht, maar ik ben geen romanticus; en jij bent niet mijn prijs. Jij laat je niet met spelden door je vleugels vastpinnen op een vale ondergrond; jij fladdert vrij door de wereld naar waar je lust en ambitie je voeren; zo is je aard, zo vind ik je het mooist, en zo wil ik dat je blijft.

Je hebt me weleens gezegd dat ik zo lekker voorspelbaar ben – en dat bedoelde je oprecht als compliment. Welbeschouwd heb ik nooit een mooier compliment mogen ontvangen. Niet alleen kreeg ik erkenning voor de mate van consistentie in mijn karakter, wat fijn was, maar het feit dat jij dat een prijzenswaardige eigenschap achtte, bevestigde ook wat ik al had aangevoeld, dat ik me voor jou niet anders voor zou hoeven doen dan ik ben. Jij laat me vrij te zijn zoals ik wil zijn. Ik zal jou altijd dezelfde vrijheid gunnen, en ik zal mijn uiterste best doen om altijd voorspelbaar te blijven, om altijd te worden wie ik ben.

Onze relatie wordt niet geteisterd door uitbarstingen van irrationele verlangens; zelfs onze zeldzame ruzies – doorgaans van taalkundige aard – verlopen redelijk. Dit veilige en liefdevolle thuis dat we met ons tweeën creëren, waardeer en koester ik. En wanneer wij ooit grijs en kromgegroeid samen op de bank zitten te eten, broccoli uiteraard, dan zal ik met oudemannenlongen de doofheid overschreeuwen, om je te zeggen dat ik daar nog altijd van geniet. Want wij zijn goed samen, daarvan ben ik, de immer twijfelende, overtuigd.

Na een frustrerende dag, waarop ik niet in staat ben geweest ook maar een enkele zin te schrijven die lijkt op iets wat acceptabel is, beur jij me op, alleen al door thuis te komen. En tegen de tijd dat we samen iets lekkers aan het koken zijn, ben ik mijn onvermogen van die dag alweer grotendeels vergeten. Je bent lief en mooi en slim, en wanneer je muziek maakt dragen de klanken schoonheid en warmte door heel het huis.

Ik weet niet wat ik tegenover al dat moois te bieden heb, behalve mijn eerlijkheid en trouw, mijn liefde en arrogantie, mijn narcisme, intelligentie en onzekerheden, mijn vreugde en mijn melancholie, mijn lach, mijn tranen, mijn pijn en mijn genot. Neem ervan zoveel je wilt, voel je niet bezwaard, mijn voorraden zijn groot.

Ik wil mijn hart met je delen zolang hij bloed pompt en mijn geest zolang ze vragen stelt; maar niet mijn boekenkasten, want daar ben ik alleen. Die ruimte heb ik nodig; ik breng er veel tijd door. Maar als je me roept dan zal ik je horen, ook daar, en ik zal antwoorden, altijd: hier ben ik. – Dat beloof ik je.

Amsterdam - Zuidwolde, september 2016